Belangenbehartiging Persberichten en opiniebijdragen Persbericht – Het nieuwe tarief voor gerechtsdeurwaarders: door de deurwaarders, voor de deurwaarders?

Persbericht – Het nieuwe tarief voor gerechtsdeurwaarders: door de deurwaarders, voor de deurwaarders?

Publicatiedatum : 10/06/2026

Het nieuwe tarief voor gerechtsdeurwaarders: door de deurwaarders, voor de deurwaarders?

Het nieuwe tarief voor gerechtsdeurwaarders, dat in oktober 2024 van kracht is geworden, had de transparantie moeten versterken en het mogelijk moeten maken om onrechtmatige gerechtelijke kosten te detecteren. Het Steunpunt voor de diensten Schuldbemiddeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest trekt aan de alarmbel met een grondige analyse die aantoont dat dit systeem precies het tegenovergestelde effect heeft, in een context waarin de recente professionele loopbaan van de vroegere minister van Justitie een bijzonder licht op deze hervorming werpt.

In het rapport aan de Koning van het koninklijk besluit van 18 mei 2024, zei minister Paul Van Tigchelt dat hij streefde naar « een doorgedreven transparantie, modernisering en het sneller detecteren van niet-geoorloofde gerechtskosten, die mee de oorzaak zijn van de schuldenproblematiek ». De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders daarentegen, was verheugd dat zij had kunnen meewerken aan de uitwerking van dit tarief, met de mening dat dit het imago van de beroepsgroep zou verbeteren. Er werd gesteld dat het tarief de kosten die voortvloeien uit de interventie van deurwaarders aanzienlijk zou verlagen.[1]

Sinds de publicatie van dit nieuwe tarief, heeft het Steunpunt – Schuldbemiddeling niet opgehouden om de vele duistere punten te benadrukken. In plaats van het systeem transparanter te maken voor de burgers,  lijkt het nieuwe tarief de complexiteit ervan juist te vergroten en de weg te banen naar een significante stijging van de kosten die worden gedragen door mensen die al in financiële moeilijkheden verkeren.

De juristen van het Steunpunt – Schuldbemiddeling hebben dit nieuwe tarief bestudeerd en een gedetailleerde analyse gepubliceerd op hun website. Voor Anne Defossez, directrice van het Steunpunt, is de vaststelling onomstotelijk : « Dit tarief is noch duidelijk, noch transparant, noch goedkoper voor de burgers. »

Goedkoper? Nee, duurder!

Volgens de analyse van de Belgische vereniging van incassobureaus ABR-BVI zijn de geclaimde kosten met meer dan 35% gestegen, alle sectoren inbegrepen[2]. Deze analyse betreft tientallen duizenden dossiers gedurende de afgelopen drie jaar en vergelijkt de kosten van de interventie van een gerechtsdeurwaarder voor en na het nieuwe tarief.[3]

Deze stijging is niet verrassend gezien de talrijke wijzigingen die door de hervorming zijn aangebracht. Een eerste voorbeeld: de gegradueerde erelonen[4], die eerder werden berekend op basis van een tabel met tien klassen, zijn sinds 1 oktober 2024 teruggebracht tot drie klassen. Gepresenteerd als een vereenvoudigingsmaatregel, leidt deze evolutie toch tot een aanzienlijke verhoging van het gevraagde ereloon.

Neem het geval van een schuld van 50,00 €. Vóór de inwerkingtreding van het nieuwe tarief bedroeg het toepasselijke gegradueerde ereloon voor een dergelijke vordering 27,23 € exclusief BTW. Sinds 1 oktober 2024 bedraagt het 125,00 € exclusief BTW[5], wat een stijging van 359% betekent.

Met andere woorden, voor een factuur van 50,00 € brengt alleen al het gegradueerde ereloon het door de gerechtsdeurwaarder geclaimde bedrag al van 77,23 € naar 175,00 € exclusief BTW, nog voordat andere vergoedingen en kosten in aanmerking worden genomen.

Een ander voorbeeld betreft de oude innings-en kwijtingsrechten die zijn geschrapt en vervangen door het invorderingsereloon[6].

Eerste moeilijkheid: onder het oude tarief waren deze rechten slechts verschuldigd wanneer de betalingen via de gerechtsdeurwaarder verliepen. Een schuldenaar die direct aan de schuldeiser betaalde, kon dus vermijden deze extra bedragen te betalen. Met het nieuwe tarief verdwijnt deze mogelijkheid : het invorderingsereloon blijft verschuldigd, zelfs wanneer de betaling direct aan de schuldeiser wordt gedaan.

Tweede moeilijkheid : dit ereloon houdt geen rekening met de werkelijke duur van de invordering. Of een schuldenaar zijn schuld in één keer betaalt of deze geleidelijk terugbetaalt over meerdere jaren, het invorderingsereloon wordt op dezelfde manier berekend. De kosten zijn dus identiek, terwijl het door de deurwaarder verrichte werk absoluut niet vergelijkbaar is.

Makkelijker en transparanter?

Naast de hogere kosten stelt het nieuwe tarief ook een serieus probleem van duidelijkheid. De weinig duidelijke wettekst laat inderdaad een aanzienlijke speelruimte aan de gerechtsdeurwaarders, zoals geïllustreerd door het « commentaar per artikel » opgesteld door de beroepsgroep[7]. Verschillende bepalingen worden daar op een voor de belangen van de deurwaarders gunstige wijze geïnterpreteerd.

Daar staat bijvoorbeeld dat deurwaarders recht hebben om kosten en honoraria te vorderen, zelfs wanneer er nog geen uitvoerbare titel is uitgereikt, wat in directe tegenspraak staat met artikel I.22/1, 1° van het Wetboek van Economisch Recht[8].

Sommige consumenten hebben er al de bittere ervaring van gehad: vanaf de dagvaarding, dus nog voordat een rechtbank zich over de gegrondheid van de schuld heeft gebogen en heeft bepaald of de betrokkene deze daadwerkelijk moet betalen, worden administratiekosten en een invorderingsereloon in rekening gebracht, voor een minimaal bedrag van 82,78 € inclusief BTW[9].

En voor een hervorming die bedoeld was om de transparantie te versterken en misbruik te bestrijden, is het paradoxaal : deze bedragen hoeven niet door de rechter te worden gecontroleerd. De schuldenaar kan dus sommen worden opgelegd waarvoor hij nooit is veroordeeld.

Voor een volledige herziening van het systeem, in overleg met alle betrokkenen

Het is geen geheim meer : de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders was de enige gesprekspartner van het kabinet van Paul Van Tigchelt voor de hervorming van het tarief van de deurwaarders. De Kamer werd toen mede voorgezeten door Jan De Meuter, baas van Modero, het deurwaarderskantoor dat de ex-minister onlangs heeft aangenomen als CEO. Dat het nieuwe tarief de belangen van de deurwaarders dient, is dus niets verrassends.

Het Steunpunt voor de diensten Schuldbemiddeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is van mening dat een volledige herziening van het systeem noodzakelijk is om eindelijk de doelstellingen van transparantie, toegankelijkheid, voorspelbaarheid en billijke kosten te verwezenlijken. Deze herziening moet gebeuren in samenwerking met verenigingen ter verdediging van consumentenbelangen en diensten schuldbemiddeling, anders dreigt men in dezelfde fouten te vervallen.


[1] https://www.sudinfo.be/id1058059/article/2025-10-27/huissiers-de-justice-des-frais-plus-clairs-voire-fortement-reduits en https://www.gerechtsdeurwaarders.be/nieuws/1-jaar-wet-op-de-overmatige-schuldenlast-wos

[2] https://www.lesoir.be/678007/article/2025-05-27/un-nouveau-tarif-bien-plus-couteux-quannonce

[3] Op dit stadium is de vergelijking beperkt tot de kosten tot aan de betekening van de dagvaarding, aangezien de ABR-BVI nog niet de nodige ervaring heeft om de cijfers in de gerechtelijke tenuitvoerlegging te vergelijken.

[4] Het gaat hier om de vergoeding die de gerechtsdeurwaarder ontvangt voor de officiële documenten die hij opstelt en betekent.

[5] In 2026 is dit bedrag geïndexeerd en bedraagt het nu 131,56 € exclusief BTW.

[6] Het betreft de vergoeding van de gerechtsdeurwaarder voor het opvolgen en beheren van betalingsplannen.

[7] Dit document is opgesteld door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders en geschreven door twee gerechtsdeurwaarders, Francis Snoeck en Toon Sorgeloos. Het is een doctrinale toelichting zonder wettelijke waarde, maar biedt een praktische interpretatie door de deurwaarders zelf.

[8] De term “minnelijke invordering van schulden” wordt gedefinieerd als: « iedere handeling of praktijk van een onderneming die tot doel heeft de consument ertoe aan te zetten een onbetaalde schuld te betalen, met uitzondering van iedere invordering op grond van een uitvoerbare titel ».

[9] Bedragen 2026: 63,68 € inclusief BTW aan administratiekosten en 19,10 € inclusief BTW aan minimaal invorderingsereloon.