Wij keken ongeduldig uit naar het standpunt van de Brusselse regulator over de vraag hoe de bepalingen van Boek XIX betreffende consumentenschulden zich verhouden tot de “Gas- en Elektriciteitsordonnanties” die bedoeld zijn om de energiesector in Brussel te regelen.
Dit thema staat al vele maanden centraal in de debatten en we hebben er al verschillende artikelen aan gewijd die u kunt terugvinden onder het tabblad nuttige documentatie.
Dit initiatiefadvies, goedgekeurd op 22 april 2026, heeft als doel:
“(…) een meer structurerend inzicht verschaffen in de ontwikkeling van het regionale regelgevingskader voor energie. Het doel is om, in de aanloop naar de eerste lezing van de ordonnantie in de Ministerraad, de nieuwe regering te voorzien van input over fundamentele kwesties die een blijvende invloed kunnen hebben op de organisatie van de energiemarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zowel vanuit het oogpunt van consumentenbescherming als vanuit de doeltreffendheid van de regelgeving, de energietransitie en de bevoorradingszekerheid..”
Dit advies van 46 pagina’s behandelt tal van thema’s, zoals de energietransitie, groene energie, de regulerende overheid enz.
Punt 4.3 van het advies is echter gewijd aan het onderwerp dat voor onze sector van belang is: de invorderingskosten van consumentenschulden (kosten voor aanmaningen, ingebrekestellingen, plafond van 55 EUR enz.).
BRUGEL herhaalt het wettelijke kader ingevoerd door de wet van 4 mei 2023 tot invoeging van Boek XIX ‘Schulden van de consument’ in het Wetboek van Economisch Recht, en bevestigt dat dit boek van toepassing is op energieleveranciers. De regulator wijst in dit verband op de gelijktijdige aanwezigheid van diverse gewestelijke sectorale wetten in ons rechtsstelsel. BRUGEL bevestigt dat de gewestelijke bepalingen inzake schuldinvordering niet tegenstrijdig mogen zijn met de bepalingen van Boek XIX en ook niet dwingender voor de consument.
Boek XIX en de Brusselse wetgevingen inzake gas en elektriciteit moeten dan ook cumulatief worden toegepast. In gevallen waarin beide regelgevingen dezelfde kwestie regelen, moet systematisch voor de bepaling worden gekozen die de consument het best beschermt. Hoewel de federale overheid een kader heeft vastgelegd, kunnen de Gewesten regels aannemen om hun beleid uit te voeren, zolang die niet indruisen tegen het federale normatieve kader.
Volgens BRUGEL moeten de Brusselse regelingen daarom worden aangepast zodat ze voldoen aan de minimumnormen die door de federale wetgever zijn vastgesteld:
“Samenvattend beveelt BRUGEL aan om de ordonnantie te wijzigen teneinde de verschillende bepalingen die in strijd zijn met de bepalingen van het WER te schrappen en anderzijds naar het WER te verwijzen. Op deze manier kunnen nieuwe inconsistenties worden vermeden in geval van wijzigingen in het WER. Bovendien dienen de normen die de consument meer bescherming bieden en die in de elektriciteits- en gasverordeningen waren opgenomen, te worden gehandhaafd.”
In het advies zijn verschillende aanpassingsvoorstellen opgenomen die als guidelines zouden moeten dienen voor de politieke overheden om de noodzakelijke wetgevende hervormingen op dat vlak in gang te zetten. We kunnen de volgende punten onthouden:
- De Ordonnanties moeten de kosteloze verzending van de eerste drie herinneringen per jaar voorzien;
- Het bedrag van 7,50 EUR voor elke daaropvolgende herinnering blijft behouden zoals bepaald in de Ordonnanties, aangezien dit bedrag de portkosten omvat;
- Het plafond van maximaal 55 EUR aan invorderingskosten per overeenkomst blijft behouden, net als de definitie van deze kosten zoals bepaald in de Ordonnanties;
- De Ordonnanties moeten beter aansluiten bij de bepalingen van Boek XIX wat betreft de opeisbaarheid van een schadebeding na het verstrijken van de termijnen bedoeld in artikel XIX.2, § 1;
- Hetzelfde geldt voor de berekening van interesten.